Verzorging

Mannelijke hagedissen zijn vaak agressieve territoriumvormers. Voorkom stress door concurrentie om voedsel, vrouwtjes, schuilplaatsen en plaatsen voor eileg te vermijden. Plaats dan ook slechts één man per terrarium en maak minstens één schuilplaats en één opwarmplaats per hagedis. Stress vermindert de weerstand tegen infecties.

Thermoregulatie

Wat in een terrarium verstandig is, is om een goede thermoregulatie te hebben. Hagedissen zijn koudbloedig en kunnen de lichaamstemperatuur zelf inwendig niet beïnvloeden. Eenmaal opgewarmd zijn hagedissen veel sneller. Ook 's nachts dient de omgevingstemperatuur hoog te blijven om zo de afweer in stand te houden. Een dier dat 's nachts te veel afkoelt loopt grote kans ernstig ziek te worden en eerder te overlijden dan een dier dat bij een constante temperatuur zit.

In de natuur warmen hagedissen zich zowel in de ochtend als in de namiddag op in de zon, zodat ze sneller op prooien kunnen jagen en alerter zijn op vijanden. Gedurende het heetst van de dag schuilt de hagedis vaak op een koelere plekje. Omdat ze een schubbenpantser hebben zijn ze goed geïsoleerd. Een nadeel is dat ze niet kunnen zweten om af te koelen. Als een hagedis het warm heeft wordt de schaduw opgezocht. Bij aanhoudende zeer hete perioden trekt de hagedis zich gedurende enkele weken tot maanden terug in holletjes, onder stenen of boomstronken en wordt een zomerslaap gehouden om oververhitting of uitdroging te voorkomen. Gedurende deze tijd is de hagedis niet actief. Hetzelfde geldt voor aanhoudende koele perioden zoals de in meer gematigde gebieden strenge winters. Deze rustperiode wordt de winterslaap genoemd.

In subtropische gebieden, waar geen heel warme of heel koude seizoenen voorkomen, kennen hagedissen geen grote wisselingen van perioden van inactiviteit en activiteit. Ze hebben wel een minder actieve periode, waarbij ze niet in rust gaan maar minder voedsel nodig hebben, een fletsere kleur krijgen en zich minder actief bewegen. Het einde van de minder actieve periode luidt meestal het begin van de voortplantingstijd in, een voorbeeld van een dergelijke soort is de baardagame.

Vijanden en verdediging

Hagedissen hebben verschillende vijanden. De voornaamste natuurlijke vijanden zijn roofvogels en rovende zoogdieren. Roofvogels plukken de hagedis van de bodem, terwijl veel zoogdieren de hagedis in het hol achtervolgen. Ook veel soorten grotere hagedissen en slangen hebben hagedis op het menu staan. De belangrijkste vijand is de mens, die door landschapsverandering en verdroging de natuurlijke leefomgeving van veel soorten vernietigt. Veel soorten hagedissen zijn uitgestorven of worden bedreigd door de introductie van dieren als honden, katten, ratten en varkens in hun leefgebied. Honden en katten jagen op de hagedissen. Ratten en varkens graven de eitjes op.

Hagedissen kennen een beperkte vorm van passieve verdediging zoals bepaalde kleuren. Veel soorten hagedissen met felle kleuren worden als giftig gezien door de lokale bevolking en onterecht doodgemaakt. Alleen de 2 soorten korsthagedissen uit Mexico zijn giftig voor de mens en hebben gele of roze tot rode kleuren. De bonte kleuren spelen bij alle andere hagedissen alleen een rol bij het afleiden van vijanden en het lokken van de andere sekse in de voortplantingstijd. De kleuren hebben niets met gevaar of giftigheid te maken, in tegenstelling tot sommige giftige en felgekleurde slangen zoals de koraalslangen. De belangrijkste actieve verdediging van de hagedissen bestaat uit het snel wegvluchten bij gevaar. Vrijwel alle soorten zoeken daarbij holen of spleten tussen rotsen en muren op. Ze zetten hun ribben uit door zich vol te zuigen met lucht waardoor ze vast komen te zitten. Veel soorten aarzelen niet om het water in te duiken en weg te zwemmen. Slechts enkele hagedissen kennen een gespecialiseerd dreiggedrag, een voorbeeld is de kraaghagedis. Deze agame spert de bek open waardoor er een grote halskraag wordt opgezet, wat een indrukwekkend gezicht is. Als de belager echter dichterbij komt, zet de agame het op een lopen en gebruikt daarbij de achterpoten. Ook andere soorten kunnen snel op de achterpoten vluchten, zoals de basilisken, die zelfs over het water kunnen rennen.

Een hagedis die in het nauw wordt gedreven maakt sissende tot grommende geluiden. Grotere soorten zullen proberen te slaan met de staart waarbij gemikt wordt op het gezicht. Als een vijand er ondanks de snelheid en het gedreig in slaagt een hagedis te pakken te krijgen, hangt het af van de plaats op het lichaam waar de hagedis wordt gegrepen.

Als een vijand het lichaam van de hagedis grijpt, bijt de hagedis van zich af met de bek vol kleine maar scherpe tandjes. Veel soorten hebben ook een stevige beet omdat ze relatief harde prooien moeten kraken. De meeste hagedissen blijven echter klein (15-25 cm totale lengte) en een beet zal hooguit resulteren in een 'vinger-met-een-hagedis-eraan'. Veel soorten zijn vasthoudend maar komen met de kleine tanden niet door de huid heen en kunnen gemakkelijk worden losgemaakt. Wat grotere soorten (25-100 cm) hebben ook krachtigere kaken en kunnen met de tanden oppervlakkige verwondingen toebrengen of zeer pijnlijk bijten. Alleen varanen zijn als echt gevaarlijk aan te merken. Dit komt hoofdzakelijk door de gevaarlijke bacteriën in de bek.

Lange tijd waren maar twee soorten giftige hagedissen bekend; de korsthagedis en het sterk gelijkende en nauw verwante gilamonster. Onlangs is ontdekt dat er wel meer soorten zijn, zoals varanen en leguanen, die een gif produceren. Het gif wordt niet overgebracht door directe injectie middels giftanden zoals gebeurt bij giftige slangen. Wel delen de giftige hagedissen 9 verschillende soorten gifstoffen die ook bij slangen voorkomen, zoals de ratelslangen. Het gif loopt in groeven langs de tanden en komt in de prooi terecht door het maken van kauwbewegingen. Het veroorzaakt veranderingen in de bloeddruk en verlaagt de bloedstolling, maar is ongevaarlijk voor mensen.

Grotere hagedissen, met name varanen, hebben naast gif permanent rottingsbacteriën in de bek die - als ze in het bloed terechtkomen - levensgevaarlijk kunnen zijn. De komodovaraan gebruikt de gevaarlijke beet om zijn prooi te doden; hoewel deze vrijwel altijd ontsnapt, bezwijkt de prooi later vaak alsnog en het lijk wordt door de varaan opgespoord met zijn goed ontwikkelde reukvermogen. Sommige agamen zijn hoog in de bomen te vinden en kunnen bij gevaar stukjes door de lucht zweven met de huidvliezen.