Kenmerken

Schildpadden hebben naast een groot en stevig schild een ovale, duidelijk te onderscheiden kop en altijd vier poten en een staart. Alle ledematen kunnen volledig in het schild worden teruggetrokken. Vooral de poten hebben afhankelijk van de functie een aangepaste vorm, de staart heeft geen echte functie meer.

Schild

Schildpadden zijn duidelijk van alle andere dieren te onderscheiden door het ronde tot ovale, koepelvormige schild dat het grootste deel van lichaam bevat. De kop en voorpoten steken uit door een opening aan de voorzijde, de staart en achterpoten door een opening aan de achterzijde. Het schild bestaat uit een platte onderzijde, het buikschild en een meestal bolle bovenzijde, het rugschild. Deze twee delen staan in verbinding met een benen brug aan weerszijden van het schild tussen de voor- en achterpoten. De binnenzijde van het schild bestaat uit huidbeenderen of beenplaten, deze ontstaan niet in de huid maar zijn gevormd uit de ribben en uitsteeksels van de borstwervels. De hoornplaten liggen tegen elkaar aan, de randen van de hoornplaten overlappen die van de beenplaten wat de sterkte vergroot. De beenplaten zijn vergroeid met de borstwervels van de wervelkolom, waardoor een schildpad zijn schild niet kan verlaten.

Aan de buitenzijde is de huid verstevigd met hoornschilden of hoornplaten. De beenplaten geven het schild zijn vorm, de hoornplaten geven het schild de vaak soort-afhankelijke kleur en tekening. Omdat de schildvorm en -tekening meestal karakteristiek zijn voor de soort, zijn het belangrijke determinatiekenmerken. De kleur en tekening zijn vaak zelfs per individu iets verschillend, dit is als het ware de vingerafdruk van een schildpad. Een landbewonende schildpad heeft een bolvormig schild, een aan water gebonden schildpad heeft een lichter, plat schild om beter te kunnen zwemmen.

Het schild van schildpadden is gevoelig wat te merken is als men de naden tussen de schildplaten aanraakt. De schildpad zal zich dan geïrriteerd terugtrekken in zijn schild.

Naast de verdediging dient het schild ook andere doelen, zo isoleert het de warmte waardoor een schildpad minder snel afkoelt en vervullen de beenplaten een functie als kalkvoorraad, wat handig is voor zwangere vrouwtjes voor de productie van de eieren.

Huid

Door hun grote schild met verharde hoornplaten bestaat slechts een klein deel van het lichaamsoppervlak uit flexibele huid, alleen op de kop, poten en staart. Ook de hoornplaten op het schild zijn overigens onderdeel van de huid, iedere plaat bestaat uit een enkele, sterk vergrote schub. De rekbare huid die de rest van het lichaam bedekt bestaat net zoals alle reptielen uit een schubbendragende opperlaag. De meeste schubben zijn klein, die op de kop zijn vaak groter en dikker ter bescherming. Bij landschildpadden zijn aan de voorzijde van de voorpoten vaak sterk vergrote schubben aanwezig die een verdedigende functie hebben, een schildpad vouwt zijn poten voor de ingetrokken kop bij bedreiging.

De meeste schildpadden hebben een donkere groene tot bruine kleur met een camouflerende tekening zoals lichtere tot gele of rode strepen, stippen, vlekken of landkaarttekeningen. De schubbenhuid moet regelmatig worden vervangen, dit gebeurt tijdens de vervelling. Hierbij laat de bovenste laag van de schub los, hieronder is reeds een nieuwe uitgeharde schub aanwezig. De schubben laten net als bij de krokodilachtigen één voor één los en niet in flarden zoals bij de hagedissen of allemaal tegelijk. Na iedere vervelling krijgen de hoornplaten er een ribbeltje bij, zodat aan de hoornplaten is af te lezen hoeveel vervellingen het dier heeft ondergaan. Oudere dieren vervellen echter minder vaak jonge dieren, zodat het aantal laagjes van de hoornplaten hooguit iets zegt over de relatieve leeftijd van de schildpad en niet over de leeftijd in jaren.

Kop en nek

De kop van een schildpad heeft een snavel-achtige bek, duidelijk zichtbare ogen en neusgaten, maar trommelvliezen ontbreken.

De kop van schildpadden is eivormig, de nek is relatief lang en zeer beweeglijk. De kop kan meestal worden teruggetrokken onder het schild. Dit is niet bij alle soorten het geval en de schildpadden zijn zelfs verdeeld in twee groepen. Schildpadden die de kop direct onder het schild terugtrekken, behoren tot de halsbergers. Verreweg het grootste deel van de schildpadden behoort tot deze groep.

De andere groep schildpadden heeft een relatief lange nek en vouwt deze samen met de kop onder de schildrand, deze families behoren tot de halswenders. Bij een aantal soorten is de nek langer dan het schild. De lange nek van de laatste groep heeft als voordeel dat de schildpad in wat dieper water kan leven.

Schildpadden hebben geen tanden maar scherpe, verhoornde delen op de rand van de bek, net als vogels, om hapklare brokken van het voedsel af te snijden. De vorm van de bek is snavel-achtig. De ogen zijn meestal klein en altijd aan de zijkant van de kop gepositioneerd, ze hebben een ronde pupil en een groene, grijze of oranje tot rode iris.

Poten

Een schildpad heeft altijd vier poten, de poten zijn relatief kort en gekromd, ze staan net als bij de hagedissen aan de zijkant van het lichaam. De poten zijn bij waterminnende soorten sterk peddel-achtig afgeplat zodat de schildpad beter kan zwemmen. Veel zoetwaterschildpadden hebben huidvliezen tussen de tenen die een vergelijkbare functie hebben, ze vergroten het oppervlak van de poot en daarmee de efficiëntie. Tijdens het zwemmen worden alle vier de poten gebruikt. Landbewonende soorten hebben vier korte, ongeveer gelijke poten die massief en rond zijn en een vlakke onderzijde hebben om stevig op te kunnen staan. Het gewicht van grotere soorten landschildpadden kan honderden kilo's bedragen en ze moeten het lichaam optillen om zich voort te kunnen bewegen.

De poten worden niet alleen voor de voortbeweging gebruikt maar ook om het voedsel af te scheuren. Met de bek wordt het voedsel vastgehouden en afgesneden, waarna met de scherpe klauwen delen worden afgescheurd tot hapklare brokken. Een andere functie van de poten is het graven van het nest, hiervoor worden altijd de achterpoten gebruikt. Veel waterschildpadden manoeuvreren zich tijdens het nemen van een zonnebad in een positie waarbij ze zoveel mogelijk zonlicht opvangen, de voorpoten worden afgeplat en de achterpoten naar achteren gestoken. De gedraaide poten zorgen voor een groter lichaamsoppervlak waardoor meer zonlicht wordt opgevangen.

De poten dragen vaak nagels die dienen om op het land te klimmen. Bij veel soorten hebben de mannetjes langere nagels dan vrouwtjes. De langere nagels van de mannetjes zijn ook een secundair geslachtskenmerk, ze dienen om de vrouwtjes te imponeren.

Ademhaling

Schildpadden hebben longen en moeten regelmatig ademhalen, veel soorten hebben een lange nek om in dieper water te kunnen leven. Vrijwel alle schildpadden goed kunnen zwemmen maar houden dat niet lang vol; in te diep water kan een schildpad zelfs verdrinken.

Een schildpad kan zijn lichaamsvolume in tegenstelling tot alle andere reptielen niet vergroten door het harde schild, de longen kunnen hierdoor niet sterk uitzetten wat de ademhalingscapaciteit beperkt. Bij bedreiging moet een schildpad zelfs eerst alle lucht uit de longen persen om zijn kop en poten terug te kunnen trekken.
Schildpadden kunnen de lucht in de longen gecontroleerd van de ene naar de andere long verplaatsen. Dit wordt door waterbewonende soorten gebruikt als balans om zo hun zwaartepunt te veranderen.

Aan het einde van de endeldarm is een gepaarde blaas aanwezig, het geheel wordt wel aangeduid met de anaalblazen. In water levende soorten kunnen met de sterk doorbloedde wanden van deze blazen zuurstof opnemen uit het water. Ze kunnen zo overwinteren op de bodem van het water terwijl deze bedekt is met een laag ijs.

Zintuigen

Schildpadden hebben een goed gezichtsvermogen, de ogen zijn complex. Omdat schildpadden net als vogels en andere reptielen vier soorten kegeltjes op het netvlies hebben, kunnen ze naast kleuren ook delen in het ultraviolette en infrarode spectrum waarnemen. Ook 's nachts kan de schildpad goed zien door het hoge aantal staafjes op het netvlies. Ook kunnen ze onder water potentiële vijanden op de oever zien aankomen. Het gezichtsvermogen is een belangrijk zintuig om voedsel en vijanden op afstand te lokaliseren.

Met name in het water levende schildpadden hebben een goed ontwikkeld reukvermogen om voedsel op te sporen. Zowel levende prooidieren als in het water liggende karkassen van andere dieren worden opgespoord. Tijdens de voortplantingstijd wordt de reukzin gebruikt om een soortgenoot van het andere geslacht te zoeken.

Schildpadden hebben geen goed gehoor, omdat ze wel inwendige oorbotjes hebben, maar geen uitwendige gehooropening, het trommelvlies is bedekt door de huid. Schildpadden gaan voornamelijk af op trillingen in de bodem om potentiële vijanden en soortgenoten te lokaliseren. De trillingen verplaatsen zich via de achterpoten en het schild naar het binnenoor. Een schildpad kan voornamelijk lage tonen waarnemen.